Hier delen we regelmatig onze inspiratie. Mocht je willen reageren of n.a.v. het geschrevene ’n vraag of verzoek hebben, stuur ons dan een e-mail.
(20-04-2026) LICHT EN DE PROJECTORLAMP. (een al bekende metafoor opnieuw bezien)
Les 110 “Ik ben zoals God mij geschapen heeft. Zijn Zoon kan niet lijden. En ik ben Zijn Zoon.”
Hoe kan ik dat helder zien?
‘In het Licht’ is het antwoord, maar daar komt mijn denkhoofd niet veel verder mee en ook het ervaren blijft uit de buurt. Welk beeld is hier behulpzaam?
Ik zie een projector voor me die allerlei plaatjes laat zien. Hele films van liefde en van haat, van plezier en van intens lijden.
Heel herkenbaar is dat als ik naar een goede, meeslepende film kijk, ik me steeds meer met de hoofdpersoon ga identificeren en het hele verhaal ‘echt’ beleef, met alle gevoelens en bijbehorende lichaamsreacties.
Natuurlijk gaat dat weer over als de film afgelopen is. Wat een geruststelling!
Is dat nu ook zo bij dit leven als individu, in een wereld van tegenstellingen? Die film?
Wanneer is dát dan afgelopen?
De dood lijkt geen einde te maken aan onze individuele reis. Lees alle mooie verhalen over leven na de dood maar: je gaat verder in een geheeld energielichaam, je ontmoet je dierbaren weer; je gaat weer naar een mooie plek, waar je eventueel opnieuw afspraken kunt maken voor een volgend leerzaam leven.
Het ego weet van geen ophouden, blijkbaar. De afsplitsing lijkt ook na de fysieke dood gewoon door te gaan.
Wat is hier dan behulpzaam? De Cursus geeft aan dat de dood net zo goed een illusie is als het fysieke leven. Dat wijst ergens anders naar, toch?
Als ik me een ouderwetse projector voorstel, wordt het misschien makkelijker.
Ik kijk naar de film op het doek en die fascineert me. Maar ik kan ook de bewegende lichtstralen terug naar de bron van het licht volgen . Daar is de film die het oorspronkelijke licht van de lichtbron zó vervormt dat het voor mij herkenbare beelden worden. Ik belééf iets aan die beelden. En het is zonneklaar dat zonder de lamp in de projector er niets te beleven zou zijn.
Ik weet dat ik mijn gedachten projecteer. Ik projecteer ze op een technisch (bijna) nog onmogelijke manier: er ontstaat namelijk een materiële dimensie die ik op een multidimensionale wijze ervaar.
De ‘lamp’ is echter nog steeds mijn denkgeest.
Alles wat ik ervaar, ervaar ik alleen maar in een bewustzijn. Als ik iets voel, zie, hoor, proef of ruik, zijn dat allemaal ervaringen en de interpretatie daarvan in het bewustzijn (wat we daar dan ook onder verstaan). Ik kan niet uit ‘mezelf’, de ‘ervarende’.
Dus ik kan die beelden en die materiële dimensie niet zijn. Wat ben ik dan wel? De film? Ben ik degene die al die beelden verzint en ben ik het ‘filter’ waardoor het licht vervormd wordt tot het verhaal dat ik ervaar?
Les 110 (Ik ben zoals God mij geschapen heeft. Zijn Zoon kan niet lijden. En ik ben Zijn Zoon.) nodigt me uit om verder te gaan.
‘Ik’ ben het licht in nog onvervormde staat. De bron straalt naar alle kanten. Er kunnen oneindig veel verschillende vervormingen plaatsvinden, als ‘iets’ daartoe besluit!
Dat is niet de bron van het licht. Die ís licht en zendt dat uit. Pas ‘daarna’ kan er iets of niets mee gebeuren.
De Bron van licht is dan hetgeen we God kunnen noemen.
Het licht is de creatie, de uitbreiding, de schepping van de Bron. De Zoon van God.
We hebben als Zoon van God de mogelijkheid om het licht dat we zijn op een of andere wijze te vervormen, vorm te geven. Daarmee worden we echter niet iets anders. We worden niet de vervorming. We blijven het licht, de uitstraling van de Bron.
In elk verhaal op aarde (of in welke andere dimensie dan ook) kan ‘ik’ dat terugzien, herkennen, als ik wil.
Ik kan ook bij de fascinatie blijven, voor de vervorming blijven kiezen en blijven vergeten wat ik ben en niet kan veranderen. Dan is het spel van het maken en verbeelden van verhalen, hoe akelig ook, blijkbaar nog te aantrekkelijk. Dat besluit is aan ons.