Inspiratie.

Hier delen we regelmatig onze inspiratie. Mocht je willen reageren of n.a.v. het geschrevene ’n vraag of verzoek hebben, stuur ons dan een e-mail.

(6-07-2026) IK DOE HET MEZELF AAN
N.a.v les 187 ‘Ik zegen de wereld, want ik zegen mezelf.’

Wat is nou eigenlijk zegenen?
Volgens Een cursus in wonderen (ECIW) is zegenen het uitbreiden van Gods liefde en het erkennen van de ware, ongeschonden Geestelijke Identiteit van jezelf en de ander. Het betekent dat je iemands schuld of fouten overstijgt en de goddelijke essentie in hen aanschouwt. Zegenen is het tegenovergestelde van aanvallen of veroordelen. Wanneer je iemand zegent, laat je je oordeel over zijn of haar gedrag varen en kies je ervoor om hen in liefde te aanschouwen. In de Cursus is vergeving nauw verbonden met zegenen. Door te vergeven (de illusie van iemands schuld loslaten) zegen je de ander. Dit brengt innerlijke vrede. Omdat de Cursus leert dat iedereen in essentie één is, zegen je altijd jezelf wanneer je een ander zegent. Het herinnert je eraan dat ook jijzelf volmaakt geliefd en onschuldig bent.

Een praktijkvoorbeeld uit de vraag- en antwoordservice van Ken Wapnick hoe je iemand of de situatie kunt zegenen.

Vraag:
Ik heb het altijd moeilijk gevonden om te accepteren dat ik werkelijk liefde waard ben. Ik ben ervan overtuigd dat ik haar moet verdienen of ervoor moet betalen.
Ik ben getrouwd met een man die gebruik van me maakt en niet van me houdt. Ik geloof wel dat ik dit mezelf aandoe, maar zo voelt het niet. Wat ik voel is dat alles wat ik wil liefde is. Ik weet niet wat ik moet doen.

Antwoord:
Het probleem is niet dat je een huwelijk op touw zet om je gebruikt en onbemind te voelen. Dat is de dekmantel om je aandacht weg te houden van het werkelijke probleem: de schuld in je eigen denkgeest te verbergen. Dat is de schuld die we allemaal delen over het geloof dat we ons afgescheiden hebben van liefde. Zolang je jouw aandacht gericht houdt op de uiterlijke relatie, en hoe die jouw gevoelens lijkt te veroorzaken, heb je nog steeds het ego als je leraar aanvaard. De Cursus nodigt ons steeds opnieuw uit, weg te bewegen van het ego en dan zul je automatisch toe-bewegen naar het Zelf.

‘ Als we ons Zelf verlaten, zal het ego zich manifesteren. Als we op zoek gaan naar onze ware aard, sterft het ego.’ -Ramana Maharshi-

Jouw denkgeest heeft de situatie waarin jij je lijkt te bevinden zelf verzonnen (en dat betekent je keuzemakende denkgeest buiten tijd en ruimte, en niet het zelf dat je hier in deze wereld denkt te zijn). Maar dit is bijna nooit het meest behulpzame niveau om je op te concentreren.

Het meer praktische niveau is om te aanvaarden dat zowel jij als je man een ego hebben. Beide ego’s streven naar de vervulling van hun eigen behoeften door een speciale liefdesovereenkomst te sluiten als basis voor de relatie. En dit maakt jullie beiden precies hetzelfde als ieder ander in de wereld, ook al zien de specifieke bewoordingen van de ruilhandel die jullie gesloten hebben er misschien anders uit!
Wees dus niet te hard voor jezelf vanwege de keuzes die je hebt gemaakt.

De Cursus zal je nooit vertellen of je in een relatie moet blijven of hieruit weggaan, want vanuit Jezus’ perspectief is dat nooit het probleem. Voor elke relatie die je in het heden lijkt te ervaren, geldt dat er maar één ding werkelijk van belang is: kies je het ego of de Heilige Geest als je leraar? Anders gezegd: Jezus bekommert zich alleen om wat zich in je denkgeest afspeelt, en niet om wat zich in jouw wereld lijkt af te spelen, omdat er vanuit zijn perspectief geen wereld is! Dat is niet zoals jij de dingen nu ziet. Maar na verloop van tijd, met zijn hulp, is dat de richting waarin je zult gaan, waarbij je leert om jezelf en je onjuiste beslissingen niet meer zo serieus te nemen en milder te zijn voor jezelf.

Je erkent terecht dat wát je ook maar in deze relatie ervaart, een innerlijke beslissing weerspiegelt over hoe jij jezelf ziet. Maar wees er duidelijk over dat de uiterlijke situatie niet de reden is waarom je deze gevoelens hebt. De relatie met je man is alleen maar een rookgordijn om het échte probleem van de schuld in je eigen denkgeest te verbergen. Dat is de schuld die we allemaal delen over het geloof dat we ons afgescheiden hebben van liefde.

Als jouw ervaring is dat je op de een of andere manier het slachtoffer van je partner bent, dan is die interpretatie je startpunt. En vervolgens kun je Jezus vragen om je te helpen inzien dat zo’n waarneming alleen voort kan komen uit je eigen geprojecteerde schuld. En die schuld was er al voordat je het idee opvatte om een disfunctionele relatie met je echtgenoot aan te gaan. In feite is de focus op je relatie, en hoe je deze anders zou kunnen ervaren, de zekerste manier om er zeker van te zijn dat het werkelijke probleem van de schuld in je denkgeest nooit aangepakt wordt. De vraag is dus blijf je focussen op de disfunctionele relatie, of ga je naar binnen, daar waar het werkelijke probleem zich bevindt: de schuld in je denkgeest.

Wat wel werkt is de relatie zegenen, je man zegenen en daarmee jezelf. De terugkeer naar onschuld. Je kijkt dan naar hem (je man), met de ware waarneming van de Heilige Geest, en zult weten dat je man ofwel liefde uitbreidt ofwel om liefde vraagt (T12.I.3). En als hij zich met het ego blijft identificeren, zal hij vragen om liefde. Omdat jij je dan verbonden hebt met de liefde binnenin je, zul je weten dat zijn eigen manipulaties en pogingen om via de relatie in zijn behoeften te voorzien, niets met jou te maken hebben, of met jouw waarde als een kind van God. En jij hebt het dan niet meer nodig om hém te gebruiken om te voorzien in jouw eigen persoonlijke egobehoefte om je geliefd te voelen.

Al wat je hebt te doen, is dat je je beslissing om – in je eigen denkgeest – liefde de rug toe te keren, naar Jezus brengt. En bereid bent om je waarneming van je man en jezelf aan hem te geven in ruil voor zijn genezen waarneming, in de erkenning dat jouw eigen waarneming je alleen maar pijn heeft gebracht. De werkelijke waarde van de relatie met je man is dat het je geholpen heeft deze verborgen zelfbeschuldigingen in je denkgeest bloot te leggen, als je tenminste bereid bent Jezus je zachtaardige leraar te laten zijn. Of je nu wel of niet in het huwelijk blijft, je relatie met je man hoeft niet langer gebruikt te worden om de schuld in je eigen denkgeest te versterken. En dat is het pad van de Cursus naar zelfacceptatie en liefde.

Dat is het doel van de les ‘Ik zegen de wereld, want ik zegen mijzelf.’ Jezelf zegenen door naar de zuiverheid in jezelf te kijken en de wereld zegenen met diezelfde zuiverheid. Je ware natuur, is zo zuiver en gezegend dat het zien ervan je in verrukking brengt. Je zult alle aardse gaven vergeten, wanneer de gave van je heiligheid het enige wordt wat je verlangt.

Bron: V#370, Werkboekles 187 en toelichtingen op de les van Robert Perry en Allen Watson, Boek van het Zelf van Willem Glaudemans

(5-07-2026) STA DE HEILIGE GEEST TOE JOUW DENKGEEST TE GENEZEN
Verdieping bij les 186 ‘De verlossing van de wereld hangt af van mij.’

Als je iets wilt doen om een speciale vorm van lijden in de wereld te verlichten, dan blijft het echte doel dat je de Heilige Geest toestaat jouw denkgeest te genezen van de gedachte van afscheiding. Dit als jouw doel kiezen, is een werkelijk belangrijke bijdrage aan het Zoonschap. Dus ons enige echte doel hier is dat je de Heilige Geest toestaat jouw denkgeest te genezen van de gedachte van afscheiding. Laat dit werkelijk tot je doordringen. Sta ik de Heilige Geest toe mijn  denkgeest te genezen van de gedachte van afscheiding? Is de hamvraag. 

Wellicht is het behulpzaam om nog eens naar de basis van het verzonnen verhaal van het ego te kijken: we geloven dat we ons hebben afgescheiden van God. Verteerd door schuld vanwege deze ‘zonde’ voelen we ons verschrikkelijk eenzaam en leeg. Het ego vertelt ons dat we de leegte die de afscheiding achterliet kunnen vullen met allerlei soorten relaties: met ons ‘zelf’, andere mensen, gebeurtenissen, spullen of zelfs onze gedachten. Met andere woorden: we gebruiken alle illusies in de droom om er een substituut, een surrogaat voor onze waarheid in te vinden. Het ego houdt vol dat als we maar eenmaal de juiste combinatie van de volmaakte surrogaten vinden, we geluk en compleetheid in de droom zullen vinden, en daarmee slagen in het maken van een volmaakte vervanging voor God en de Hemel. Wanneer het plan steeds maar niet werkt, zegt het ego ons te blijven zoeken en opnieuw te proberen, zonder er ooit bij te vertellen wat de werkelijke afspraak is: “Zoek maar vind niet”(T16.V.6:5).

Les 50 in het Werkboek ‘Ik wordt gedragen door de Liefde van God’ verteld ons: ‘Vertrouw niet op illusies. Ze zullen jou in de steek laten. Stel al je vertrouwen op de Liefde van God in jou: eeuwig, onveranderlijk, immer feilloos. Dit is het antwoord op alles waarvoor jij je vandaag gesteld ziet.(WdI.50.4:1-4) Je hebt je vertrouwen geschonken aan de meest triviale en waanzinnige symbolen: pillen, geld, ‘beschermende’ kleding, invloed, aanzien, aardig gevonden worden, de ‘juiste’ mensen kennen, en een eindeloze lijst van vormen van niets die jij met magische kracht bekleedt.(WdI.50.1:3) Al deze dingen zijn jouw substituten voor Gods Liefde. Al deze dingen worden gekoesterd om de identificatie met het lichaam zeker te stellen. Het zijn lofzangen op het ego. Schenk je vertrouwen niet aan wat waardeloos is. Het zal jou niet steunen.(WdI.50.2:1-5) Alleen de Liefde van God zal jou in alle omstandigheden beschermen. Ze zal je boven elke beproeving uittillen, en je hoog boven alle vermeende gevaren van deze wereld verheffen tot een sfeer van volmaakte vrede en veiligheid. Ze zal jou voeren naar een denkstaat die door niets bedreigd, door niets verstoord kan worden, en waar niets de eeuwige kalmte van de Zoon van God verbreken kan.’ (WdI.50.3:1-3)

Ja dus waar vertrouw ik op? Illusies of de Liefde van God? Verleiding of verlossing?

De verlossing van de wereld hangt af van mij zegt les 186. We kunnen alleen onszelf genezen door anders te kiezen. Niemand geneest  iemand anders ook Jezus niet. “Genezing komt van niemand anders. Jij moet leiding van binnenuit aanvaarden”. (T8.IV.4:5-6) Iemand wiens denkgeest genezen is – waaronder Jezus – kan iemand anders, die zelf vindt dat hij niet genezen is, eraan herinneren dat ook hij de keuze kan maken voor genezing, als hij de waarheid over zichzelf aanvaardt. 

Ook hier wordt weer benadrukt dat alleen wijzelf de keuze kunnen maken voor genezing oftewel verlossing.

De Cursus  leert ons dat genezing altijd plaatsvindt in de denkgeest: “Aangezien alleen de denkgeest ziek kan zijn, kan alleen de denkgeest worden genezen. Alleen de denkgeest heeft genezing nodig”. (P.In.1:2-3) Als we genezing voor onszelf aanvaarden, aanvaarden we het voor het hele Zoonschap. Dit bedoelt de Cursus wanneer hij zegt dat we niet alléén worden genezen – de waarheid over wie we zijn is dezelfde waarheid voor iedereen, en sluit iedereen in. We zijn geen afgescheiden individuen, die individueel genezing zoeken. Er bestaat geen individu die moet worden genezen. Afscheiding is de ziekte. Omdat alle ziekte afscheiding is, is alle genezing verbinding: “Genezing is het gevolg van denkgeesten die zich met elkaar verbinden, zoals ziekte ontstaat door denkgeesten die zich van elkaar afscheiden” (T28.III.2:6). Toen Jezus dus de Verzoening voor zichzelf aanvaardde waren we allemaal bij hem en werden we samen met hem genezen. Wij hoeven dit alleen maar te aanvaarden om ons bewust te worden van deze genezing.  We worden genezen wanneer we ervoor kiezen ons met Jezus te verbinden in het aanvaarden van onze genezing. Op deze manier wordt genezing bereikt, zo vertelt de Cursus ons.

De verlossing van de wereld hangt af van mij, van het aanvaarden van mijn genezing of niet.

Les 186 zegt: ‘Er is één manier, en slechts één, om te worden bevrijd uit de gevangenschap die jouw plan om te bewijzen dat het onware waar is, jou heeft gebracht. Accepteer in plaats daarvan het plan dat jij niet hebt gemaakt.’ (WdI.168.5:1-2) Stop met luisteren naar je zelfgemaakte beeld, dat beeft wanneer God tot je spreekt over je ware functie, omdat je jouw fundament voelt afbrokkelen. Geef je over aan het vertrouwen dat alles wat je nodig hebt om je functie te vervullen je gegeven wordt; in het vertrouwen dat je het waard bent om onder de verlossers  van de wereld gerekend te worden; in het vertrouwen dat al je behoeften door God vervuld zullen worden.

Let op! Het Zoonschap is genezen. In feite was genezing nooit werkelijk nodig. In het Werkboek  verduidelijkt Jezus dit voor ons: “Net zoals vergeving aan alle zonden voorbijziet, die nooit werden begaan, neemt genezing slechts illusies weg die niet hebben plaatsgevonden”. (WdI.137.5:2) Genezing wordt dus opgevat als een proces dat de blokkades wegneemt voor het bewustzijn van wat nooit veranderd is (T.In.1:7). Het is de aanvaarding van wat waar is en de ontkenning van wat niet waar is. 

Omdat iedereen een juist gerichte denkgeest heeft waar de weerspiegeling van de onveranderlijke waarheid verblijft, en Jezus een symbool is van de juist gerichte denkgeest, is zijn genezing die van iedereen. Genezing betekent simpelweg kiezen voor de juist gerichte denkgeest. Tegen een juist gerichte denkgeest kiezen door voor het ego te kiezen maakt de waarheid niet ongeldig, noch doet het de herinnering aan de aanwezigheid van liefde teniet; die keuze trekt er alleen maar een sluier overheen. De sluier wordt opgetild en genezing wordt aanvaard door de keuze van de denkgeest hiervoor, en dat is alles.

Jezus deed dus niet echt iets, dat kon hij ook niet. De naam Jezus is gegeven aan een symbolische figuur, die de juist gerichte denkgeest van het Zoonschap voorstelt. Hij heeft wat we allemaal hebben. Zoals hij ons zelf vertelt, is het enige verschil tussen ons, dat hij niets ánders heeft: ‘ Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb. Daardoor verkeer ik in een toestand die in jou alleen potentieel aanwezig is.’ (T1.II.3:10-13) 

Jezus geeft ons een heel eenvoudige beschrijving van de staat van de denkgeest die wij met hem delen telkens wanneer wij daarvoor kiezen: “Wat is verlossing (genezing) toch eenvoudig! Al wat ze zegt is dat wat nooit waar was nu niet waar is, en dat nooit zal zijn. Het onmogelijke is niet gebeurd, en kan geen gevolgen hebben. En dat is alles.”(T31.I.1:1-4) De ‘enige’ die nodig is om alles in het licht van dit ware perspectief te zien ben jijzelf.

Wat bij ons de genezing van het bewustzijn blokkeert is de overtuiging dat de illusie waar is. De wens dat een bepaalde vorm van speciaalheid de eenheid vervangt die de Zoon met de Vader deelt, houdt de waanzin van het ego-denksysteem levend en ‘ziek’. 

Er is werkelijk maar één leraar van God nodig om de wereld te genezen (H12). Telkens wanneer we bereid zijn de interpretatie van het ego van een of andere situatie (die moet bewijzen dat de afscheiding werkelijk is) in twijfel te trekken en het inzicht van de Heilige Geest (dat afscheiding niet werkelijk is) te aanvaarden, zetten we een stap dichter bij de genezing die we met Jezus delen. Het ene is waar, het andere onwaar. Het is aan ons om te kiezen.

“Laten we vandaag niet proberen te genezen wat niet aan ziekte kan lijden [het lichaam]. Genezing moet alleen daar worden gezocht waar ze is [in de denkgeest] en dan toegepast worden op wat ziek is [de denkgeest], zodat het [de denkgeest] kan worden genezen” (WdI.140.7:1,2). Deze gedachte staat met grote helderheid in het Tekstboek: ‘ Het lichaam heeft geen genezing nodig. Maar de denkgeest die denkt dat hij een lichaam is, is absoluut ziek!’ (T25.In.3:1,2). Pas wanneer we beginnen te aanvaarden dat ziekte zich in de denkgeest bevindt en voortkomt uit ons onbewuste maar illusoire geloof in schuld – schuld omdat we denken dat we ons afgescheiden hebben van onze Bron en die hebben aangevallen – kunnen we beginnen te begrijpen dat genezing niet meer is dan het proces om dit geloof ongedaan te maken. En dat noemt de Cursus vergeving. 

Ter verduidelijking: de betekenis van ‘geloof’ in de Cursus is anders dan het traditionele gebruik ervan, zoals bijvoorbeeld in gebedsgenezing ofwel genezing door geloof. God geneest onze ziekte niet; de Cursus vraagt ons niet ons geloof in Hem te stellen om al onze ziekten en pijn weg te nemen. Met ‘geloof’ verwijst de Cursus naar de loyaliteit die we schenken aan ofwel het ego, ofwel de Heilige Geest om ons denken te leiden, met de onvermijdelijke uitkomst die het gevolg is van ons geloof in elk van deze leraren (T13.IX.2:3-6). 

En hier wordt weer benadrukt dat de verlossing van de wereld afhangt van mij, en alleen van mij. Er is niets anders buiten mij.

Stel je geloof in de interpretatie van het ego over jezelf en anderen en je bent verzekerd van schuld, angst, pijn, ziekte en dood. Stel je geloof daarentegen in de interpretatie van de Heilige Geest en je bent verzekerd van vrede, liefde, vreugde en leven. En geloven in de Heilige Geest betekent dat je bereid bent oordelen over en aanvallen op jezelf en anderen te vervangen voor de genezende balsem van vergeving.

De genezing die Jezus in de Cursus onderwijst wordt tot stand gebracht door een keuze in de denkgeest. De denkgeest die ervoor koos zich te identificeren met het egodenksysteem is ziek. Hij wordt genezen wanneer hij leert om tegen het ego te kiezen door de keuze voor de Heilige Geest te maken. 

De verlossing van de wereld hangt af van mij. Door te leren  de keuze voor de Heilige Geest te maken. Wij zijn direct verantwoordelijk voor de keuze van de denkgeest voor afscheiding, die de bron is van schuld en het lijden in de wereld (inclusief dat van onszelf). Het lijden dat we waarnemen is de weerspiegeling van onze eigen pijn. Waarneming is interpretatie. 

Noch Jezus, noch de Heilige Geest maakt die keuze in de denkgeest voor ons. Zoals Jezus ons in het Tekstboek zegt: “Ik kan niet voor jou kiezen, maar ik kan je helpen je eigen juiste keuze te maken” (T3.IV.7:11). Dat is het uiteindelijke doel van genezing in Een cursus in wonderen.

Dit wordt bereikt door een proces van ontmaskering van de ziekte van het egodenksysteem: zijn dynamiek, intentie, doel en pijnlijke gevolgen. Aangezien ontkenning de grootste verdediging van het ego is, is het aan het licht brengen hiervan het begin van het ongedaan maken en genezen. Het ego aan het licht brengen verzwakt het, net zoals sommige bacteriën niet kunnen overleven in de droge warmte van het zonlicht. Dus het duister van de ziekte van het ego naar het licht van vergeving brengen, is de genezing die Jezus in de Cursus onderwijst.

Het probleem is niet dat we lijden zien in de wereld, maar dat we hen die lijden als verschillend van onszelf zien, als afgescheiden van ons. De Cursus onderwijst ons dat iedereen die ervoor kiest afgescheiden te zijn ziek is en genezing nodig heeft. ‘Een zieke ziet zichzelf als gescheiden van God’ (H22.6:5). Ziekte wordt dus gelijkgesteld aan afscheiding. En daarom is genezing het ongedaan maken van afscheiding. Iedereen die zich identificeert met het lichaam lijdt, of de pijn nu duidelijk is of gecamoufleerd in de vorm van plezier.  In het ‘op z’n kop denken’ van het ego zijn we over alles in de war, in het bijzonder over pijn en plezier. “Zonde [afscheiding/ziekte] gaat over van pijn in plezier, en weer in pijn. Want beide getuigen zijn dezelfde, en dragen maar één boodschap uit: ‘Jij bent hier, in dit lichaam, en je kunt gekwetst worden. Je kunt ook genieten, maar alleen ten koste van pijn’” (T27.VI.2:1-3). In het waanzinnige plan van het ego voor een ‘leven’ afgescheiden van God in een lichaam, zijn plezier en pijn hetzelfde. “Pijn dwingt aandacht af, door die van Hem (de Heilige Geest) weg te trekken en op zichzelf te richten. Haar bedoeling is dezelfde als die van plezier, want het zijn allebei middelen om het lichaam werkelijk te maken. ” (T27.VI.1:3-4 cursief toegevoegd). Gegeven deze lastige situatie, is onze enige verantwoordelijkheid de Heilige Geest toe te staan onze denkgeest te genezen door het beoefenen van vergeving. Wanneer we merken dat we over iets in de wereld van streek zijn, zouden we daarin volgens Jezus een kans moeten zien ons te herinneren dat we ervoor gekozen hebben de boodschap van het ego te geloven dat het lichaam werkelijkheid is en dat wij dát zijn.

Laat dit tot je doordringen: wij hebben ervoor gekozen de boodschap van het ego te geloven dat het lichaam werkelijkheid is en dat wij dát zijn. De verlossing van de wereld hangt af van mij…De genezing die Jezus in de Cursus aanbiedt is gericht op deze overtuiging, die de werkelijke bron van ieders pijn is. De leugen van het ego heeft ons ziek gemaakt en de waarheid van de Heilige Geest zal ons genezen.

Aan het einde van het Tekstboek is Jezus’ genezende boodschap aan ons allen dezelfde: “Bij iedere moeilijkheid, elke verwarring en in alle nood, roept Christus jou en zegt Hij liefdevol: “Mijn broeder, kies opnieuw.” Hij wil geen enkele bron van pijn ongenezen laten, noch enig beeld dat de waarheid versluiert laten bestaan” (T31.VIII.3:2,3).

Bron: Les 186, Les 50, T31VIII en de vragen: V#137, V#126, V#1103, V#840 uit de vraag- en antwoordservice van Ken Wapnick.

(20-06-2026) GENADE TOELATEN

De lessen in Een cursus in wonderen spreken de laatste dagen over genade. Wanneer ik de woorden van de lessen en de toelichtingen daarop van Robert Perry en Allen Watson (vertaald door Elly Clabbers) werkelijk binnen kan laten komen zijn deze woorden zo bemoedigend. Daarom deel ik ze graag.

Wat is genade? Genade is een warm, persoonlijk gesprek met God. Genade is de beweging van de liefde die ons terugleidt naar Hem; het stille gefluister van Zijn Stem in onze denkgeest die ons niet los zal laten; de zorgvuldige planning van ons leerproces, om ons te helpen alles af te leren wat we onszelf hebben geleerd over angst. 

Les 168 begint met: ‘God spreekt tot ons. Zullen wij niet tot Hem spreken? Hij is niet ver. Hij doet geen poging Zich voor ons te verbergen. Wij proberen ons voor Hem te verbergen en lijden onder misleiding. Hij blijft geheel toegankelijk. Hij zal Zijn Zoon voor eeuwig liefhebben. Wanneer zijn denkgeest blijft slapen, heeft Hij hem nog altijd lief.’ (WdI.168.1:1-6, 9-10) 

Genade betekent door de illusie heen zien. We zijn nog altijd in deze wereld van ogenschijnlijke haat en angst, maar aanvaarden toch op de een of andere manier de Liefde van God. We aanvaarden dat Hij louter Liefde is, niet boos en wraakzuchtig, niet iets dat gevreesd moet worden vanwege onze zonden, niet iemand om de schuld te geven van de ogenschijnlijke ziekten van de wereld. God is Liefde. In plaats van de wereld als solide en werkelijk te zien en ons af te vragen hoe God liefdevol kan zijn terwijl dit allemaal plaats vindt, kunnen we onze  denkgeest laten verlichten  door de gave van genade, en niet langer geloven dat de wereld van angst werkelijk is (WdI 169.2:2). Zij die genade kennen, weten dat God werkelijk is, dat Liefde werkelijk is, en dat de wereld van angst een illusie is.

Leven in genade betekent: terwijl we in de wereld zijn, leven met een volledig bewustzijn van de Aanwezigheid van Liefde. Dit staat gelijk aan leven in de werkelijke wereld. 

De staat van genade kunnen we niet leren. Leren is iets van de wereld. Wat we in feite leren is het afleren van onze ontkenning van de waarheid over ons Zelf. Wanneer we ontwaakt zijn in de Hemel, hoeven we niets meer te leren, want we zullen opgaan in het uitbreiden van Wat Is door te scheppen. Maar als we deze staat willen bereiken, moeten we ons eerst bezighouden met de alledaagse taak van het reinigen en zuiveren van elke waarneming door middel van vergeving.


(20-04-2026) LICHT EN DE PROJECTORLAMP. (een al bekende metafoor opnieuw bezien)

Les 110 “Ik ben zoals God mij geschapen heeft. Zijn Zoon kan niet lijden. En ik ben Zijn Zoon.”

Hoe kan ik dat helder zien?
‘In het Licht’ is het antwoord, maar daar komt mijn denkhoofd niet veel verder mee en ook het ervaren blijft uit de buurt. Welk beeld is hier behulpzaam?

Ik zie een projector voor me die allerlei plaatjes laat zien. Hele films van liefde en van haat, van plezier en van intens lijden.
Heel herkenbaar is dat als ik naar een goede, meeslepende film kijk, ik me steeds meer met de hoofdpersoon ga identificeren en het hele verhaal ‘echt’ beleef, met alle gevoelens en bijbehorende lichaamsreacties.
Natuurlijk gaat dat weer over als de film afgelopen is. Wat een geruststelling!
Is dat nu ook zo bij dit leven als individu, in een wereld van tegenstellingen? Die film?
Wanneer is dát dan afgelopen?

De dood lijkt geen einde te maken aan onze individuele reis. Lees alle mooie verhalen over leven na de dood maar: je gaat verder in een geheeld energielichaam, je ontmoet je dierbaren weer; je gaat weer naar een mooie plek, waar je eventueel opnieuw afspraken kunt maken voor een volgend leerzaam leven.
Het ego weet van geen ophouden, blijkbaar. De afsplitsing lijkt ook na de fysieke dood gewoon door te gaan.

Wat is hier dan behulpzaam? De Cursus geeft aan dat de dood net zo goed een illusie is als het fysieke leven. Dat wijst ergens anders naar, toch?
Als ik me een ouderwetse projector voorstel, wordt het misschien makkelijker.
Ik kijk naar de film op het doek en die fascineert me. Maar ik kan ook de bewegende lichtstralen terug naar de bron van het licht volgen . Daar is de film die het oorspronkelijke licht van de lichtbron zó vervormt dat het voor mij herkenbare beelden worden. Ik belééf iets aan die beelden. En het is zonneklaar dat zonder de lamp in de projector er niets te beleven zou zijn.
Ik weet dat ik mijn gedachten projecteer. Ik projecteer ze op een technisch (bijna) nog onmogelijke manier: er ontstaat namelijk een materiële dimensie die ik op een multidimensionale wijze ervaar.
De ‘lamp’ is echter nog steeds mijn denkgeest.
Alles wat ik ervaar, ervaar ik alleen maar in een bewustzijn. Als ik iets voel, zie, hoor, proef of ruik, zijn dat allemaal ervaringen en de interpretatie daarvan in het bewustzijn (wat we daar dan ook onder verstaan). Ik kan niet uit ‘mezelf’, de ‘ervarende’.
Dus ik kan die beelden en die materiële dimensie niet zijn. Wat ben ik dan wel? De film? Ben ik degene die al die beelden verzint en ben ik het ‘filter’ waardoor het licht vervormd wordt tot het verhaal dat ik ervaar?

Les 110 (Ik ben zoals God mij geschapen heeft. Zijn Zoon kan niet lijden. En ik ben Zijn Zoon.) nodigt me uit om verder te gaan.
‘Ik’ ben het licht in nog onvervormde staat. De bron straalt naar alle kanten. Er kunnen oneindig veel verschillende vervormingen plaatsvinden, als ‘iets’ daartoe besluit!
Dat is niet de bron van het licht. Die ís licht en zendt dat uit. Pas ‘daarna’ kan er iets of niets mee gebeuren.
De Bron van licht is dan hetgeen we God kunnen noemen.
Het licht is de creatie, de uitbreiding, de schepping van de Bron. De Zoon van God.
We hebben als Zoon van God de mogelijkheid om het licht dat we zijn op een of andere wijze te vervormen, vorm te geven. Daarmee worden we echter niet iets anders. We worden niet de vervorming. We blijven het licht, de uitstraling van de Bron.

In elk verhaal op aarde (of in welke andere dimensie dan ook) kan ‘ik’ dat terugzien, herkennen, als ik wil.
Ik kan ook bij de fascinatie blijven, voor de vervorming blijven kiezen en blijven vergeten wat ik ben en niet kan veranderen. Dan is het spel van het maken en verbeelden van verhalen, hoe akelig ook, blijkbaar nog te aantrekkelijk. Dat besluit is aan ons.